Home Opinie Open brief aan D66 over Armeense kwestie

Open brief aan D66 over Armeense kwestie

Geachte heer Pechtold, graag had ik dit onder ons gehouden en achter gesloten deuren met u besproken. Mijn reactie op de motie inzake de Armeense kwestie (KMM676197V19362L0KM) mocht namelijk niet de vertrouwensrelatie tussen mij en D66 verstoren. Helaas weigerde u antwoord te geven en wacht ik al bijna twee maanden op een antwoord vanuit uw kant. Uw assistente Martine van Bemmel, medewerker publieksvoorlichting bij D66, was al niet veel vriendelijker door mij tot twee maal toe een standaardmail toe te zenden zonder ook maar één inhoudelijke zin te wijden aan mijn vragen. Derhalve voel ik mij geroepen deze brief in het openbaar te verspreiden in de hoop wel een antwoord van u of de geachte D66-fractie te kunnen ontvangen.

Advertentie

Allereerst wil ik mezelf graag voorstellen. Geboren en getogen in Nederland, ben ik thans als historicus verbonden aan Instituut voor Turkse Studies in Utrecht. Onder andere D66-Europarlementariër Marietje Schaake was bij de openingsreceptie van dat instituut in november 2011. Zoals mijn (niet-Turkse) naam al doet vermoeden, heb ik geen Turks-nationalistische tendensen of motieven.

Met uitzondering van de allereerste keer dat ik mocht stemmen, enkele maanden na mijn 18de verjaardag, heb ik altijd op D66 gestemd. De eerste keer dat ik mocht stemmen vond ik een vrouwelijke lijsttrekker, Femke Halsema van Groenlinks, prachtig omdat ik zelf als telg van een alleenstaande moeder met twee dochters was opgegroeid met drie sterke en onafhankelijke vrouwen. Ik zag dat terug bij Halsema. Na deze emotionele keuze, kwam ik al snel op D66 en sindsdien stem ik steevast (met volle overtuiging) op deze mooie partij. Ik vind namelijk het ideaal van de ‘Verenigde Staten van Europa’ een prachtig ideaal waar ik me ook volledig voor wil inzetten. Ik noem mij sindsdien dan ook met trots “een D66’er in hart en nieren” en sta erg dicht tot de partij met mijn voormalige klasgenoot Jan-Maarten Patternote als de nieuwe opkomende D66-voorman.

En juist daarom baarde de recente keuze van D66 omtrent de motie over de Armeense kwestie, mij grote zorgen. Het ging mij vooral om enkele zinsneden die D66 daarbij gebruikte, waar ik als historicus toch enkele vraagtekens bij wil zetten. Zo noemt D66 ‘The International Association of Genocide Scholars’ frappant genoeg “genocidehistorici”₁. Nu bestaat deze term niet. Er zijn genocide-onderzoekers en historici, voor beide beroepen zijn er aparte opleidingen. Men kan Genocide-studies studeren, wat vooral roots heeft in sociologische kringen, en men kan geschiedenis studeren. De twee opleidingen zijn niet hetzelfde. Echter, in dit geval maakt dat niet eens zo veel uit want ‘genocide’ is een juridische term. Het zou dus vooral overgelaten moeten worden aan juristen die gespecialiseerd zijn in die term. Historici kunnen beschrijven wat er is gebeurd in 1915 en genocide-onderzoekers kunnen de aftermath (sociale cohesie, sociale ongelijkheid en invloed daarvan op de identiteit) onderzoeken, maar toetsen aan de term zelf kan alleen door juristen.

Voorts stoort het mij dat veel standpunten van D66 eenzijdig zijn. Ik ben twee maal in Armenië geweest met twee verschillende onderzoeksprojecten vanuit de Europese Unie en beide malen ben ik daar niet in de archieven geraakt. Tevens ben ik meermaals in Turkije geweest, inclusief Oost-Anatolië, en daar kwam ik wel binnen bij de staatsarchieven. Ook mijn reis naar Turkije was een onderzoeksproject vanuit de Europese Unie. Het is dan ook erg schokkend voor mij om te moeten constateren dat D66 per abuis de verkeerde partij de les probeert te lezen.

Laten we ook niet vergeten dat vrijheid van meningsuiting ook in Armenië niet je-van-het is. De zaak van historicus Aybars Görgülü, die in Armenië werd aangeklaagd en schuldig bevonden omdat hij een afwijkende academische conclusie had over de gebeurtenissen van 1915, is hier een excellent voorbeeld van. Dat ook Armeense historici, zoals Levon Panos Dabağyan, zich afvragen of de term ‘genocide’ wel juist is, geeft aan hoe gevoelig de materie is. Zolang Armenië andersgezinde conclusies van wetenschappers juridisch probeert te straffen, kunnen we niet spreken van een vrij en open klimaat waar academici hun theses kunnen bespreken en waar nodig bediscussiëren. Het stoort mij dat D66 zich hier niet sterk voor lijkt te maken.

Als laatst meldt D66 dat zij vinden dat “het kabinet moet spreken over ‘de Armeense Genocide’ en niet over ‘de kwestie van de Armeense genocide'” omdat “historisch bewijs hier één kant op wijst”. Welnu, als D66 met de term ‘genocide’ bedoelt “er zijn veel mensen van hetzelfde volk omgekomen c.q. omgebracht”, dan klopt dat. Echter, als D66 met de term ‘genocide’ de juridische term aanduidt waarbij wordt verwezen naar “een systematisch beleid van een regering of overheid om een etnische entiteit op basis van raciale kenmerken in zijn geheel te vernietigen”, dan klopt het waarschijnlijk niet ₂. Het verbaast mij dan ook dat de heer Pechtold, als collega-(kunst)historicus, in deze discussie deze duidelijke scheidingslijn niet heeft kunnen trekken.

Het historisch bewijs waar D66 naar verwijst, is namelijk indirect bewijs. Nederlandse onderzoekers zoals Arend-Jan Boekestijn en Erik-Jan Zürcher roepen al jaren dat het “smoking-gun”-bevel niet is gevonden in de Turks-Osmaanse archieven. Een conferentie zoals die van Wannsee (1942) bij de Nazi’s waarbij openlijk wordt gesproken van ‘Endlösung der Judenfrage’, is bij de Osmaanse Turken niet gevonden. Juist daarom worden de massamoorden gezien als een bijkomstigheid van de Eerste Wereldoorlog waarbij chaos ervoor zorgde dat langstaande rivaliteiten tussen Koerdische, Assyrische, Armeense, Arabische, Turkse, Alevitische, Soennitische en andere stammen bloederig werden uitgevochten. Als minderheden dolven vooral Armeniërs en Assyriërs hierbij het onderspit, alhoewel er ook ontzettend veel leed is veroorzaakt bij Koerdische en Turkse stammen. De totale vernietiging van de Koerdische Mazrik-stam door Armeense milities, is hier een goed voorbeeld van.

Ik verwijs hierbij graag naar de bijlage waar vele tientallen historici/academici vermeld staan tezamen met hun universiteit; onder andere Yale, Princeton, Harvard, Oxford en Cambridge. Zij vinden dat de term ‘genocide’ niet toepasbaar is bij de gebeurtenissen van 1915. ₃  Hieruit blijkt ook dat het onderwerp in wezen zeer controversieel is en ook druk bediscussieerd wordt in academische kringen. Het feit dat de Nederlandse turkoloog Zürcher recent zijn conclusie heeft aangepast, is hier ook illustratief voor. ₄

Als collega-historicus weet de heer Pechtold dat in wetenschap niks “de waarheid” is. Er zijn alleen theses en elk thesis heeft een anti-thesis. Door theses te vergelijken komen we steeds dichter tot de kern c.q. de waarheid, wetende dat we nooit de absolute waarheid zullen weten. Het enige wat we kunnen doen, is trachten de materie zo dicht mogelijk te benaderen. Het is dan ook dieptriest dat Nederland dit proces probeert te belemmeren door bijvoorbeeld een panellezing van de Amerikaanse hoogleraar Justin McCarthy af te lasten en hier zelfs Kamervragen over te stellen. Waarom ging Zürcher niet met hem in debat en zegde hij op het laatste moment? En waarom wilde Zürcher daarna dat de lezing in zijn totaliteit werd afgelast en waarom kreeg Zürcher zijn zin? Alleen met zulke panellezingen kunnen beide kanten zich namelijk verder ontplooien. Ik had liever gezien dat D66 zich hard had gemaakt voor dit vraagstuk. Want we hoeven het niet met elkaar eens te zijn, maar we moeten ons wel blijven inzetten voor het recht van een ander om zijn wetenschappelijke conclusies vrijelijk te kunnen delen met een groot publiek; ook (of zelfs vooral) als je het niet eens bent met elkaar. ₅

Hiermee moet ik toch tot de conclusie komen dat D66 zich niet genoeg verdiept heeft in de materie rondom 1915, en daardoor verkeerde aannames maakt. Dat terwijl ik altijd trots was dat D66 als enige politieke partij in Nederland een “Turkije platform” had waar bijna wekelijks lezingen over Turkije werden georganiseerd, meestal in mijn woonplaats Utrecht. Jammer genoeg is dat platform al enige tijd gesloten, maar het gaf mij het idee dat D66 wel altijd open stond voor lezingen vanuit verschillende perspectieven. De recente reactie van D66 heeft mij echter aan het twijfelen gebracht en mij doen besluiten deze brief te sturen.

Ik hoop dan ook van harte dat u de moeite neemt om hierop te reageren.

Met vriendelijke groet,

Armand Sag
Historicus & Turkoloog
Instituut voor Turkse Studies

[1] Overigens kunnen genocide-onderzoekers van International Association of Genocide Scholars het dan wel erkennen, veel historici met een specialiteit in Turkse geschiedenis hebben aangegeven die term niet geschikt te vinden. De grootste turkologen-organisatie, Institute of Turkish Studies in Washington, DC, is daar één van. Net als de ‘No Genocide-agreement’ die door 69 historici met een specialiteit in Turkse geschiedenis, is ondertekend.
[2] Een prachtige uitspraak van de Canadese historicus Gwynne Dyer, zelf gespecialiseerd in militaire historie en krijgsgeschiedenis.
[3] Onder andere de Australische Jeremy Salt, Franse Gilles Veinstein, Britse Andrew Mango, Schotse Norman Stone, Amerikaanse Justin McCarthy, Canadese Gwynne Dyer, Zweedse Bertil Dunér, Engelse Malcolm Yapp en nog vele anderen.
[4] In zijn boek ‘Een geschiedenis van Modern Turkije’ uit 1996 spreekt hij van “de Armeense kwestie” omdat er niet bewezen kan worden dat het bevel van bovenaf kwam. In de herdruk van 2006 spreekt hij van “genocide”.

 

Bijlage:

  1. Andrew Mango (School of Oriental and African Studies, Groot-Brittannië).
  2. Bertil Dunér (Instituut voor Internationale Betrekkingen, Zweden).
  3. Brian G. Williams (Universiteit van Massachusetts, Verenigde Staten van Amerika).
  4. Edward J. Erickson (Marine Corps Universiteit, Verenigde Staten van Amerika).
  5. Elizabeth-Anne Wheal (Cambridge Universiteit, Groot-Brittannië).
  6. Ewout H. Klei (Rijksuniversiteit Groningen, Nederland).
  7. Gwynne Dyer (Oxford Universiteit, Verenigd Koninkrijk).
  8. Jeremy Salt (Melbourne Universiteit, Australië).
  9. Michael E. Meeker (Universiteit van Washington, Verenigde Staten van Amerika).
  10. Michael Radu (Babes-Bolyai Universiteit, Roemenië).
  11. Paul Henze (Smithsonian Instituut, Verenigde Staten van Amerika).
  12. Philippe Fargues (Nationaal Instituut voor Demografische Studies, Frankrijk).
  13. René Bakker (Universiteit Leiden/Nederlandse Politie Academie, Nederland).
  14. Robert F. Zeidner (Universiteit van Utah, Verenigde Staten van Amerika).
  15. Stephen Pope (Oxford Universiteit, Groot-Brittannië).
  16. Thierry Zarcone (Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek, Frankrijk).
  17. William L. Langer (Harvard Universiteit, Verenigde Staten van Amerika).
  18. Yitzchak Kerem (Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, Israël).
  19. Youssef Courbage (Nationaal Instituut voor Demografische Studies, Frankrijk).
  20. Antoon Gailly (Universiteit van Leuven, België).
  21. Derk Jan van der Linde (Instituut voor Turkse Studies, Nederland).
  22. Christopher Gunn (Coastal Carolina University, Verenigde Staten van Amerika).
  23. Eelko Y. Hooijmaaijers (Rijksuniversiteit Groningen, Nederland).
  24. Levon Panos Dabağyan (Instituut voor Turkse Geschiedenis, Turkije).
  25. Luc Vervloet (Universiteit van Gent, België).
  26. Bernard Lewis (Princeton Universiteit, Verenigde Staten van Amerika).
  27. Eberhard Jäckel (Universiteit van Stuttgart, Duitsland).
  28. Firuz Kazemzadeh (Yale Universiteit, Verenigde Staten van Amerika).
  29. Gilles Veinstein (Collège de France, Frankrijk).
  30. Guenter Lewy (Universiteit van Massachusetts-Amherst, Verenigde Staten van Amerika).
  31. Heath W. Lowry (Princeton Universiteit, Verenigde Staten van Amerika).
  32. Hew Strachan (Oxford Universiteit, Groot-Brittannië).
  33. Hikmet Özdemir (Instituut voor Turkse Geschiedenis, Turkije).
  34. Justin McCarthy (Louisville Universiteit van Kentucky, Verenigde Staten van Amerika).
  35. Malcolm Yapp (Universiteit van Londen, Groot-Brittannië).
  36. Michael M. Gunter (Tennessee Tech Universiteit, Verenigde Staten van Amerika).
  37. Michael Reynolds (Harvard Universiteit, Verenigde Staten van Amerika).
  38. Norman Stone (Oxford Universiteit, Groot-Brittannië).
  39. Paul Dumont (Marc-Bloch Universiteit van Strasbourg, Frankrijk).
  40. Robert Mantran (Universiteit Aix-Marseille, Frankrijk).
  41. Stanford Shaw (Universiteit van California Los Angeles – UCLA, Amerika).