Home Opinie Armeense houding Nederland deconstructief en polariserend

Armeense houding Nederland deconstructief en polariserend

Afgelopen week werd er een academische lezing afgelast aan Vrije Universiteit in Amsterdam. Deze stond gepland voor 24 april 2015. Meteen erop werden Kamervragen gesteld aan VU waarom ze toestemming hadden verleend aan deze hoogleraar om daar een lezing te houden.

Advertentie

De lezing zou komen van de Amerikaanse hoogleraar Justin McCarthy, verbonden aan University of Louisville in Kentucky maar ook geaffilieerd aan Institute for Turkish Studies in Washington D.C, en de lezing zou gaan om de Armeense genocidekwestie. Volgens VU hadden Erik-Jan Zürcher en Uğur Ümit Üngör, twee notoire en fervente voorstanders van de term ‘genocide’, geweigerd om met Justin McCarthy in debat te gaan. McCarthy heeft namelijk een andere academische conclusie en publiceert hier vaak over. Waarom Zürcher en Üngöre hem liever ontlopen dan met hem in discussie gaan, is interessant.

Wat echter nog interessanter is, is dat Nederland niet het academisch debat hieromtrent probeert te stimuleren maar Zürcher en Üngör steunt door McCarthy helemaal te weigeren in Nederland. Het is niet het eerste geval waarin Nederland dit doet. In 2006 werden drie kandidaatsleden uit de Tweede Kamer geweerd. In 2009 vonden er zelfs drie incidenten plaats. Eerst trok Haagse Hogeschool zijn toestemming voor een conferentie in. Ook kon een hooglerares niet openlijk haar onderzoek bespreken onder druk van (alweer) VU en moest PVV-Tweede Kamerlid Daniel van der Stoep zijn excuus maken voor de conclusie in zijn masterscriptie. Aan de Rijksuniversiteit Groningen werd in 2010 een masterstudent van de universiteit afgetrapt omdat hij weigerde zijn conclusie aan te passen. In 2011 dreigde Bas Nugteren van Universiteit Utrecht een receptie te verbieden vanwege één van de hoogleraren. Ook in 2011 eiste Haagse Hogeschool dat een spreker vervangen zou worden voor een lezing. In 2013 begonnen hoogleraar Ido de Haan en de eerdergenoemde Uğur Ümit Üngör (beiden van Universiteit Utrecht) een kort geding tegen een collega-academicus. Nu verbiedt VU een lezing van Justin McCarthy.

In al deze gevallen ging het om personen die een andere mening hadden over de Armeense genocidekwestie. De eerste vraag die men hierbij moet stellen is de volgende: Sinds wanneer gaan we elkaar niet met argumenten te lijf? Wanneer een academisch debat niet wordt gevoerd met inhoudelijke argumenten waarbij beide theses worden besproken, maar simpelweg door het te verbieden begint het bij mij te jeuken. Het begint te jeuken om twee redenen: blijkbaar heeft degene die het debat weigert en zelfs probeert te verbieden, geen goede argumenten of zelfs helemaal geen. Bovendien, en wellicht is dat nog het allerbelangrijkst, tot overmaat van ramp probeert men hiermee de vrijheid van meningsuiting in te perken. In het bijzonder die van wetenschappers en academici.

Want waarom anders mogen de Australische Jeremy Salt, Franse Gilles Veinstein, Britse Andrew Mango, Schotse Norman Stone, Amerikaanse Justin McCarty, Canadese Gwynne Dyer, Zweedse Bertil Dunér, Engelse Malcolm Yapp, en nog tal andere gerenommeerde wetenschappers geen lezing houden in Nederland? Alleen maar omdat ze tot de conclusie komen dat er in 1915 wat anders is gebeurd met de Armeniërs dan de gangbare thesis dat het een genocide was? Is dat waarom de Vlaamse Antoon Gailly (Universiteit van Leuven) en Luc Vervloet (Universiteit van Gent), tezamen met de Nederlandse René Bakker genegeerd worden? Want al deze historici en academici vormen nog maar de top van de ijsberg als het komt op de academische discussies rondom de Armeense genocidekwestie van 1915.

Nu gaat het mij geenszins om te beweren dat de gebeurtenissen van 1915 wel of niet vallen onder de noemer ‘genocide’. Wat mij hier vooral tegen het borst stoot, is dat Nederland deze discussie niet eens wil aangaan. Sterker nog, andere academische meningen worden simpelweg geblokkeerd, genegeerd en zelfs verboden. Nu hoef ik het niet altijd met iemand eens te zijn, maar zal ik wel tot de dood strijden voor zijn of haar recht om een bepaalde mening te hebben. Dit gedachtegoed (naar de woorden van de Britse Evelyn Beatrice Hall) was, naar ik dacht, ook het fundament waar de Nederlandse samenleving op gestoeld was. Blijkbaar geldt dat niet voor wetenschappers in hun academische discussie rondom de gebeurtenissen van de Armeniërs in 1915.

Wat hiermee gebeurd, is dat er steeds meer frustratie ontstaat onder bepaalde bevolkingsgroepen omdat ook zij gehoord willen worden. Zij hebben hier ook het recht toe. Wat mij nu zeer veel zorgen baart, is dat deze groeperingen niet meer de conventionele kanalen zoeken om gehoord te worden en hun meningen te ventileren maar steeds fanatieker worden. Deze deconstructieve en polariserende houding in Nederland dient dan ook te veranderen. We moeten beseffen dat we het niet altijd eens kunnen zijn met elkander, maar dat iedereen het recht heeft om een mening te hebben. Vooral als deze gestoeld is op een solide, academische kern van onderzoeken.