Home Opinie Gespleten tong Frankrijk en Nederland inzake de Armeense kwestie

Gespleten tong Frankrijk en Nederland inzake de Armeense kwestie

DELEN
Augustus 1946, omgeving Soerabaja. Een marinier dreigt met zijn geweerkolf bij de ondervraging van een groepje gevangengenomen Indonesiërs. Foto: Nederlands Instituut voor Militaire Historie

Nederland kan met de krampachtige omgang met het eigen slavernijverleden en het ontbreken van een formele algemene erkenning voor massamoorden in Indonesië waar 200.000 Nederlandse militairen ‘Orde op zaken stelden’ en zo’n 100.000 mensen de dood injoegen, niet als beschermheilige van de objectiviteit optreden. Historici zijn er om de waarheid te achterhalen, en politici om politiek te bedrijven. Over de gespleten tong van Frankrijk en Nederland inzake de Armeense kwestie.

De Algerijnse genocide is een vergeten gitzwarte bladzijde uit de Franse koloniale geschiedenis. 1,5 miljoen Algerijnen werden tussen de periode 1954 en 1962 uitgeroeid. Tot op de dag van vandaag heeft bijna niemand het er over, niet in Frankrijk noch in de rest van Europa.
De aanslagen gepleegd door de OAS en de bloedbaden aangericht door de Franse overheid in de steden Setif, Guelma en Kheretta zijn vergeten en wel. De bloedige onderdrukking van een vreedzame FLN-demonstratie op 17 oktober 1961 in Parijs werd nooit door de Franse overheid toegegeven. Geen journalist die onderzoek deed naar deze gebeurtenissen. De OAS, die streed tegen een onafhankelijk Algerije, was een rechts-extremistische terreurbeweging met het credo “L’Algérie est française et le restera” oftewel “Algerije is Frans en zal dat blijven”. De legitieme tegenhanger van de OAS was de FLN, Front de Liberation Nationale, deze vocht en demonstreerde voor een onafhankelijk en vrij Algerije. De facto en de jure is er volgens de Fransen nooit een Algerijnse genocide geweest. De Algerijnen eisen van de Franse overheid een erkenning van de genocide met de daarbij behorende excuses. Jammer genoeg worden deze claims niet geaccepteerd en lijdt de Franse overheid nog steeds aan een collectieve amnesie. Parijs houdt zich vast aan een obscure stellingname. Jaques Chirac zei ooit eens: “Writing history is the job of the historians, not of the laws.” En Dominique de Villepin bevestigde dit nog eens door de volgende uitspraak: “The past or writing history is not the job of the parliament”.

De enige strohalm voor de Algerijnen lijkt de jarenlang in Frankrijk verboden(!) film, ‘The Battle of Algiers’. In deze film wordt op minutieuze wijze de heldhaftige opstand van de Algerijnen gereconstrueerd tegen de onderdrukkende en door Frankrijk gesteunde pied-noirs.

Hrant Dink

Hoe anders is de opstelling van de Fransen ten aanzien van de Armeense kwestie. Vanaf 14 oktober 2016 is het ontkennen van een Armeense genocide in Frankrijk strafbaar. Vele jaren terug was er al het voorstel van de voormalige Franse president Sarkozy om het ontkennen van een Armeense genocide strafbaar te stellen. Destijds was Hrant Dink de Armeens Turkse journalist die in 2007 werd vermoord fel tegenstander van dit voorstel en wilde naar Parijs om zich te verzetten tegen een mogelijke goedkeuring van deze motie. In hoeverre we waarde moeten hechten aan dit soort stellingnames van Sarkozy is nog maar de vraag, immers alles wees indertijd op een persoonlijke aangelegenheid. De grootoom van Sarkozy, Ascher Mallah, stond ten tijde van het Ottomaanse imperium terecht op verdenking van landverraad. Na zijn vrijspraak werd hij later gekozen in het kersverse Griekse parlement. Bovendien hebben enige leden van de vaders kant van Sarkozy afkomstig uit Hongarije meegevochten tegen het Ottomaanse bewind.

Het gesloten Armeense archief

Behalve dat het hierbij riekte naar een persoonlijke kwestie, staan de Fransen gezien de historische context niet onbevooroordeeld in het geheel. Frankrijk behoorde tot één van de koloniale machten die het Ottomaanse rijk wilden opdelen. De afspraken van de opdeling van het Ottomaanse rijk werden vastgelegd in Sèvres, een banlieu van Parijs. Het zogenaamde vredesverdrag van Sèvres werd uiteindelijk niet geratificeerd. De stichter van de seculiere republiek Turkije, Atatürk, zorgde ervoor dat de koloniale agressors hier niet de kans toe kregen. Voor de heldendaden van Atatürk was het de Ottomaanse overheid die de Kaukasusveldtocht onder leiding van de Russen en de collaborerende Armenen tegen kon houden. Volgens Bruce Fein (Harvard University) voorheen topadviseur onder Reagan en gespecialiseerd in het constitutioneel en internationaal recht zijn er 2,4 miljoen Turken omgebracht bij een poging tot het veroveren van het Ottomaanse gebied. De Armeense bevolking waar ze honderden jaren in vrede mee hadden samen geleefd en die tevens hoge functies bekleedden in de Ottomaanse bestuurslagen keerden hun overheid de rug toe en pleegden op grote schaal wandaden tegen de Ottomaanse bevolking, tegen hun eigen landgenoten. Heden ten dage claimen vele nationalistische Armenen op ridicule wijze het noordoosten van Turkije als Armeens grondgebied. Refererend naar een Armeense rijk van 190 v Christus. Turkije heeft door de jaren heen het archief inzake de Armeense kwestie willen openstellen en willen voorleggen aan gerenommeerde historici.

Oorlogssituatie

Geschiedkundigen zoals Bernard Lewis (Princeton University), Justin Mccarthy(University of Louisville), Heath Lowry (Princeton University), Gilles Veinstein (College de France), Stanford Shaw (UCLA), Guenter Lewy(University of Massachussets), Roderic Davison(Central European University), Jeremy Salt(University of Melbourne), Malcolm Yapp(University of London) en Rhoads Murphey(University of Birmingham) zijn één van die vele historici die de Armeense kwestie niet als genocide willen bestempelen en claimen dat er sprake was van een oorlogssituatie en dat de slachtoffers onder de Armenen aangedikt zijn om ultranationalistische geopolitieke belangen te kunnen bewerkstelligen.

Daarnaast is de internationale gemeenschap verdeeld over de kwestie. Van de 195 landen erkennen er slechts 29 een vermeende Armeense genocide. De rest van de wereld ziet de gebeurtenissen in die tijd als een agressieve, koloniale inmenging waarbij de Turken uit noodweer het recht hadden om zich hiertegen te verdedigen en rigoureuze maatregelen te treffen. Jammer genoeg zien de Turken in de handreiking om eventuele zwarte bladzijdes uit hun eigen geschiedenis te ontrafelen een door Frankrijk gesteunde, niet meewerkende Armeense overheid. Frankrijk heeft de goede wil van Turkije te allen tijde afgewezen en was, hoe paradoxaal dit ook moge klinken, tegen ‘bemoeienis’ van historici.

Pas in 1962 heeft Algerije zich van het Franse koloniale juk kunnen bevrijden. Na wat politieke stribbelingen in de jaren 90 heeft Algerije vandaag de dag enige politieke stabiliteit kunnen realiseren. Maar nog steeds staat het onder invloed van neokoloniale machten. En daar hoort Frankrijk ook toe. Gegeven de historische feiten zou de Franse overheid er goed aan doen om haar fouten toe te geven. Om zich daar vervolgens naar te gedragen. Het rechtvaardigheidsprincipe dient gehandhaafd te worden door landen die (historisch en vandaag de dag) recht van spreken hebben.

Nederlandse massamoorden in Indonesië

Nederland kan met het krampachtige omgaan van zijn slavernijverleden en het ontkennen van de massamoorden in Indonesië waar honderdduizend Indonesiërs slachtoffer van werden, niet als beschermheilige van de objectiviteit optreden. Historici zijn er om de waarheid te achterhalen, en politici om politiek te bedrijven. Dit zou niet alleen moeten gelden voor Frankrijk en Nederland, maar ook voor Turkije. Een moeilijke kwestie die een hele natie aangaat, mag niet anders dan door historici bepaald worden. Dit kan niet overgelaten worden aan subjectieve en beladen meningen van populistische, theocratisch christelijke en islamofobe politici die geen historische kennis hebben.